Opeens was ze daar.
Eerst wisselden we alleen maar blikken, maar al gauw kibbelden we er over wie
haar het eerst gezien had. Bruno hield weer het langste vol. Hij was haar al
verschillende keren tegengekomen, beweerde hij.
'Op het terras van Fresco en
in de minimarkt.'
Nee, gesproken had hij haar niet. Er was een kleine kans dat
hij niet loog. Er verschenen immers, ondanks het winterseizoen, regelmatig
buitenlandse toeristen in ons dorp. Zij zetten hun campers voor een nachtje vlak aan
zee, en verdwenen weer. Het waren niet meer dan schimmen in te lichte
zomerkleren.
Maar dit was een blijverdje.
Zij was duidelijk geen Portugese, zoals ze daar zat in de volle zon met
opgerolde mouwen en halfblote benen. Haar slippers had ze uitgeschopt. Hoe
lang zat ze daar nou al? Ze dronk de ene kop koffie na de andere en las een
boek. Zo nu en dan keek ze over haar zonnebril heen naar de zee.
Het was weer Bruno die het initiatief nam. Hij had allang bewezen dat hij van
ons allemaal de brutaalste was. Had hij ook niet onze dokter ingepikt, toen
zij nog maar drie maanden weduwe was?
Met grote passen stapte hij het terras op en peuterde een sigaret uit zijn
pakje. Zij keek naar de plotselinge schaduw. Haar gezicht stond afwezig.
'Rookt u?' Ik was vast niet de enige die schrok toen ze met een glimlach
accepteerde. Of ze erop had zitten wachten, zo snel had ze hem al opgestoken.
Bruno stond met zijn aansteker in de hand naast haar, maar zij was al weer
verdiept in haar boek.
'Do you speak english', probeerde hij nog. Ze reageerde niet. Met opgeheven
hoofd verliet hij het terras. Maar hij voegde zich niet meteen weer bij ons.
Hij stak de straat over en ging naar de zee staan staren. Ik zou precies
hetzelfde gedaan hebben...
De volgende was Joaquim. Hij was een beetje over zijn beste jaren heen, maar
we noemden hem nog steeds 'koning der buitenlandsen'. Wat hij aan schoonheid
had ingeboet wist hij vaak nog te compenseren met zijn geld.
Hij timede perfect. Het meisje, -of moet ik vrouw zeggen, ze zal een jaar of
dertig geweest zijn- trad binnen met haar portemonnaie in de aanslag. Joaquim
betaalde haar rekening. Hoewel hij het nonchalant deed, zag het er toch
demonstratief uit. Ze lachte, geamuseerd dacht ik even, en stapte naar buiten.
Ze koos daarbij een route, rakelings achter ons langs. We moesten zelfs een
stukje inschikken.
Joaquim besloot zijn actie te zien als een investering op lange termijn. 'Tja'
zo zei hij 'ze zal me heus wel gezien hebben'.
Ze werd een geregelde gast van het café, liever gezegd van het terras. Aan de
bar wisselden we onze wapenfeiten uit.
Luís was haar tegengekomen op het strand, waar ze zijn 'enorme visvangst'
bewonderd had.
'Heb je er niet eentje voor haar gegrild', vroeg ik nog. 'Wijntje erbij..'
Maar Pedro was al aan het woord. Elke morgen, zo wist hij te melden, was zij
zijn eerste klant. 'Een brood dat die vrouw verslindt', zei hij trots. 'Ze
moet mijn brood wel erg lekker vinden.'
'Met kaas', riep Vitor, 'bij mij koopt ze kilo's kaas.' 'Karbonade', zei
Chico, ze houdt van karbonade'.
En wie biedt er meer, dacht ik. Antonio dus. Hij ging zover dat hij beweerde
haar een lift te hebben gegeven, achterop zijn brommer. 'Ze legde haar handjes
hier zo' en hij streelde zijn enorme taille. Ja, lachen deden we ook.
'Praat ze wel eens met iemand?' vroeg Joaquim op een avond. Zelfs hij was geen
stap verder gekomen. 'Volgens mij spreekt ze geen woord Portugees en Engels
evenmin.'
'Met Maria', zei Lucilia.
Lucilia is de vrouw van de kastelein en zoals gewoonlijk had ze zich buiten de conversatie gehouden.
'Ik heb haar zien praten met Maria.'
Maria? Even was het doodstil. En toen praatten we allemaal tegelijk. Och ja,
Maria, waar hing die tegenwoordig eigenlijk uit?
Was die niet terug naar Helder, haar wettige echtgenoot? Het leek eeuwen
geleden dat we 'vochten' om Maria. Ze was zo'n beetje onze plaatselijke hoer,
sinds ze die arme Helder verlaten had.
Ikzelf had nooit iets gehad met Maria en van de anderen wist ik het ook niet
zeker. Er werd een hoop gekletst, dat wel.
Maria was een vrolijke meid die graag een pilsje dronk in het café. Ze grapte
zo'n beetje met ons mee en amuseerde zich.
'Bruno' kon ze fijntjes zeggen 'handjes thuis, denk aan Christina'. En ze
sloeg Joaquim op zijn schouder. 'Zo, oudje, nog altijd niet gekalmeerd?'. Ik
mocht Maria wel. Maar waar was ze tegenwoordig?
'Ik was in S. gisteren en daar zag ik haar. Ja zeker, Maria en die
buitenlandse. Ze zaten druk te praten in de pastelaria.'
Chico stelde de meest zinnige vraag.
'Welke taal spraken ze, Engels?' Maar dat wist Lucilia niet, zo dicht was ze
niet in de buurt geweest. 'Maar het was een geanimeerd gesprek' zei ze en
ze stond gewoon te genieten van onze ontreddering.
De volgende dag was de stemming veranderd. Weer stond de zon aan een
onbewolkte hemel. De buitenlandse werd overladen met aandacht. Toen de
zoveelste 'toevallig even op het terras moest zijn' en haar aansprak, liet ze
voor het eerst haar glimlach achterwege. Ze keek Bruno, -die man heeft altijd
geluk, zei ik het niet- met felle ogen aan en zwaaide met haar boek, waar ze
eerst zorgvuldig haar wijsvinger in had gestoken. Even leek het of Bruno haar
een klap wilde geven, maar ze keek hem alweer vriendelijk aan voor ze rustig
doorging met lezen.
'De teef', zei Bruno, toen hij weer bij ons stond en ik geloof dat we
het allemaal met hem eens waren.
Toen stond ze op. Ze smeet haar boek op het tafeltje en holde de straat op.
Een donkerblauwe Volvo was de hoek om gekomen en stopte aan de overkant. Het
portier ging open en een bekende verschijning sprong naar buiten.
'Julia' riep Maria en ze opende haar armen om degene wiens naam wij nu
eindelijk kenden, warm te onthalen.
'Wacht' zei Julia 'mijn boek'. En het klonk zo Portugees, als het maar zijn
kan..
Ze griste haar boek van de tafel en met een gezicht waar de gelukzaligheid
vanaf droop, liep ze tussen ons door naar de bar en legde daar een bankbiljet
neer. Zonder op wisselgeld te wachten stoof ze weg.
Maria had haar plaats achter het stuur alweer ingenomen. Voor ze wegreed wrong
ze zich in een onmogelijke houding en ze gaf Julia een lange kus.
En die bleek daar helemaal niet vies van te zijn.
Minutenlang was het stil en we durfden elkaar nauwelijks aan te kijken. Pas toen
de Volvo met een sierlijke draai verdween in de richting waaruit hij
gekomen was, deed Joaquim zijn mond open.
'Tja' zei hij en de goeierd bestelde voor ons allemaal een borrel.
home |