Ik zag haar in de pastelaria. Groot,
struis, een woedend hoofd vol zwart haar, viel ze naar binnen en commandeerde:
koffie! Later hoorde ik dat ze de zigeunerin genoemd werd. En dat ze de zus
was van Carlos, een van de vele dorpelingen die ik van naam kende maar met
wie ik nog nooit een woord gewisseld had. Maar dat was later.
Nu was ik alleen nog maar behoorlijk onder de indruk. Wie, in godsnaam, was
dàt? En wat deed dié in dit slaperige, door de wereld vergeten badplaatsje.
Ze sloeg haar koffie in één keer achterover, smeet een paar munten op de
toonbank en maakte dat ze wegkwam.
Omdat ik vlak bij de ingang zat, met mijn onafscheidelijke dagboek in de
eerste zonnestralen, passeerde ze me rakelings. Ik wilde haar zwierige rok
beetpakken. In plaats daarvan stak ik mijn voet uit, en raakte lichtjes de
stof aan. Voelde ze dat? Ze wierp me een korte neutrale blik toe. Weg was ze
en ik stond op en hoorde hoe ik haar stem imiteerde toen ik een kop koffie
bestelde.
Mijn dagboek had ik dichtgeslagen, want overal op de wereld lopen landgenoten
rond. Ik maakte aanstalten om weer aan het schrijven te slaan en vroeg me af,
waarom ik haar niet achterna ging en ik antwoordde met een reeks laffe
smoesjes. Die loopt niet weg, straks, en waarom zou ik en bovendien had ik
nou net Pedro, met wie ik zo gelukkig was.
Ik sloeg m'n dagboek open en las dat ik nog nooit een man had ontmoet die
zó kon zoenen. Precies op dat moment stapte mijn geliefde over de drempel.
Zonder boe of bah, of 'hallo' desnoods, schoof hij bij me aan tafel en stak
een sigaret op. Terwijl ik koffie voor hem bestelde, bedacht ik dat hij nooit
geld had. Maar wel sigaretten, waarvan hij me er nog niet één had
aangeboden. Mens, hou op, dacht ik en ik zei: 'Pedro, ken jij een grote vrouw,
met zwart haar en een roodbonte rok. Tot hier, wees ik op een van mijn kuiten.
Jong, zei ik ook nog. Hij schokschouderde wat en ik wist niet of het nee was,
of dat hij geen zin had in een gesprek, of in dít gesprek misschien? Of
begreep hij gewoon mijn Engels niet? Als hij zó deed, kon ik hoog springen
of laag, en vele andere dingen, zoveel wist ik al, ik zou geen steek verder
komen. Ik betaalde de consumpties en hield het voor gezien.
Nog geen tien meter was ik gevorderd of daar was ze weer, mijn vlam van het
laatste uur en ik opende mijn mond om haar te groeten. Ze zag me niet en ik
keek haar na. Ze schoot de pastelaria in en plofte neer bij Pedro. Op míjn
stoel. Meteen ontstond een geanimeerd gesprek, dat al gauw een discussie werd,
nee, een gevecht. Op de automatische piloot was ik achter haar aangegaan,
maar ik strandde in de deuropening: als ik al van plan geweest was me bij hun
aan te sluiten, dan moest ik wel tot inkeer komen. Hun radde Portugees
denderde door het etablissement, al probeerden zij te fluisteren, dat zag ik
wel. 'Nee' schreeuwde Pedro 'nee'. Hij zwaaide met z'n armen, hief z'n handen
ten hemel en draaide zijn hoofd van haar af. Ik moest maken dat ik van m'n
drempel afkwam, anders had ze me gevierendeeld, toen ze naar buiten stormde.
Maar ze had tranen in haar ogen.
Ik keek haar na, ik keek naar Pedro. 'Anabel' snauwde hij in mijn richting,
alvorens hij verdween richting toilet. Ik moest gaan, dat wist ik. Mijn
schouders begonnen al strak te trekken en mijn benen werden week. Naar zee
jij, siste ik mezelf toe.
Om een uur of vier ben ik naar Pedro's huisje gegaan. Hij
lag languit op zijn bed, pal achter de voordeur, en luisterde naar de radio
via zijn oormicrofoontjes. Ga zitten, gebaarde hij. En even later zei hij: er
is thee. Hij wees met één vinger naar het keukentje achterin en met zijn
andere hand gooide hij me een pak biskwietjes toe. Hij zelf dronk nooit thee
en daarom gaf ik hem voorzichtig een zoen. Bij het luisteren naar zijn
krakerige radio werd hij nou eenmaal niet graag gestoord.
Ik zette net het kopje aan mijn lippen voor de eerste slok, toen er op de
deur werd gebonsd. Op Pedro's 'binnen' maakte een nieuwe Anabel haar entree.
Weliswaar in één beweging, maar toch kalm, ging ze bij Pedro op bed zitten.
Het gesis en geknauw van die onbegrijpelijke taal begon weer. Zij smeekte,
hij weigerde, dat zag een kind. In een poging niet op te gaan in de mist van
een miskend bestaan, duwde ik Anabel een kop thee onder de neus. Even was ze
uit haar concentratie en ik zag hoe ze twee bruine knuisten er helemaal
omheen vouwde. En toen keek ze me aan en zei: 'lekker'. In haar zwarte ogen
stond verdriet en nog iets. Was dat paniek? Plotseling wilde ik dat Pedro
haar gaf waar zij zo om smeekte, al was ik er op dat moment van overtuigd dat
het liefde was. Mijn liefde eigenlijk. Dat wil zeggen Pedro's liefde en die
was van mij.
Terwijl ik mijn laatste slok thee nam, was het gesprek alweer in volle gang
en voor ik de deur zachtjes achter me sloot, zag ik Anabel nippen aan haar
kopje. Ik dacht aan de manier waarop ze haar koffie gedronken had,
diezelfde ochtend. 'Er is nog meer' zei ik, maar niemand die mij hoorde.
Opnieuw valt er een gat in die dag. Ben ik weer naar zee
gegaan, of naar mijn eigen plek, een tent op de plaatselijke camping? Ik heb
die dag niet meer in mijn dagboek geschreven. Dat deed ik pas weer diep in de
nacht bij het licht van mijn zaklantaarn. Er staat daar dat de oude Chica,
Pedro's buurvrouw me aanklampte met een stroom van woorden, waar ik er niet
één van verstond. Dat Pedro me eerst niet wilde vertellen wat ze zei, maar
me uiteindelijk toesnauwde, dat ze van de rotsen was gevallen,
Anabel, en dat ze dood was. 'Zelf gesprongen' zei hij. 'Hier vlakbij, iedereen kon het zien'.
Eerst wist ik niets te zeggen. En toen heb ik gevraagd: waarom. En, wat ze eigenlijk gewild had, van hem.
Toen kroop hij weer heel ver van me weg, maar deze keer ging ik mee. Dat wil
zeggen, ik ben ook op zijn bed gaan liggen, vlak naast hem en ik heb hem
vastgehouden. Hij was zo stijf als een plank. Pas na een hele lange tijd
fluisterde hij, maar ik verstond hem toch, dat ze drugs van hem wilde. Drugs.
En hij zei dat ie ze haar niet wilde geven, omdat ze die dag recht uit de
kliniek kwam. En toen zei hij dat ik weg moest gaan. Ik heb lang zitten
schrijven, daar in mijn tentje. Misschien was de batterij van mijn
zaklantaarn bijna leeg, want de laatste regels zijn nauwelijks leesbaar.
'Pedro is een junk' dat staat er, en nog iets over de dood en dat je die niet
voelen kunt. Maar dat ik mijn bestaan ineen voelde schrompelen tot het
miserabele hoopje mens, dat ik ben.
 |