Koekoe' roept Rosa, mijn buurvrouw en haar hoofd met het eeuwige petje
verschijnt om de hoek van de deur van mijn eenkamerhuisje. 'Ben je al wakker?'
'O nee, asjeblief' mompel ik in mijn eigen taal.
Ik moet er niet uitnodigend uitzien met mijn sjagrijnige kop, maar dat mag de
pret niet drukken.
'Kom, Francisco gaat een gans slachten'.
O ja, vandaag wordt er gegeten bij de buren en op het menu staat gans,
scharrelgans, dat spreekt vanzelf.
Het is acht uur, zie ik op mijn wekkertje. De korte kogelronde verschijning in
de deuropening wordt omkranst door een witte nevel. Ochtendmist.
'Ik sliep nog' zeg ik, in het Portugees nu.
Ze gaat zitten op mijn enige stoel.
'Rosa, laat me nog even alleen, wil je?'
Giechelend van verlegenheid verlaat ze het pand.
Tegen beter weten in leg ik mijn hoofd op het kussen en trek de dekens om mijn
schouders.
De voorbereidingen voor het middagmaal zijn in volle gang. De katrol van de
waterput moet nodig wat olie. En voorts lijkt het eerder te gaan om het
project van een bouwvakker dan om een kookpartij. Hamer, zaag en tenslotte een
gierend geschuur. Het gereedschap voor de slacht wordt ter plekke vervaardigd.
Ik drink thee en verricht mijn overige ochtendrituelen.
Nog even moet ik niet denken aan 'gans met rijst'. Met een beetje geluk
eten we 'pas' om twee uur..
Als ik eindelijk het inmiddels verblindende ochtendlicht instap, staat Francisco
in alle rust te plukken aan iets wat al heel veel lijkt op een
diepvrieskip.
'Ik heb nog nooit gans gegeten' zeg ik, terwijl ik me afvraag of dat waar is.
'Dan zul je straks eens wat beleven! Trouwens dit is geen gans.' Verbaasd
kijk ik hem aan. 'Nee, dit is gansa!' zegt hij en zijn pretoogjes stralen in
zijn oude mannensnoet.
Als ik een kwartier later terugkom van de waterput, levert hij het bewijs. 'Ze
zat vol eieren' zegt hij en toont me een schaal met naast twee perfecte levers
(-ganzelever, maken ze daar in Frankrijk niet zo'n ophef van?-) een paar
glanzend rode bollen en een heleboel 'knikkertjes'.
'Grote al' zeg ik bewonderend en begin meteen te twijfelen. Die grote, dat
zullen toch niet de eierstokken zijn? Francisco doet opnieuw een greep in het
inwendige. 'Dit is het hart.' Heeft hij nu even medelijden met het leven
waaraan hij zojuist een einde heeft gemaakt? Trekt er niet een schaduw over
dat vastberaden gezicht?
Buurvrouw is inmiddels naar buiten gekomen. De vleesgeworden misericordia.
Waar is dat schalkse gezicht, die goedlachse vrouw gebleven?
'Oh' klaagt ze 'mijn ogen, ik kan dit soort dingen niet meer' en trefzeker
pakt ze het beest bij zijn poten op het moment dat Francisco zijn mes trekt.
Niets herinnert aan het vrolijke vrouwmens met wie ik regelmatig in een deuk
lig. Ik kan haar wel slaan! Maar ik neem een voorbeeld aan Francisco die stelselmatig haar klachten
negeert.
'Nog even en ze kan de pan in.' Hij maakt een hoofdbeweging in de richting van
het houtvuur waarop al een pan water staat te koken.
Als ik wegslenter met mijn emmer voel ik me een verraadster.
Natuurlijk begrijp ik haar wel, mijn buurvrouw.
Herhaaldelijk verzekert ze me dat ze geluk heeft gehad. Háár Francisco heeft
altijd hard gewerkt, ze heeft nooit honger hoeven lijden. En hij heeft haar
nog nooit geslagen.
Maar, zo denk ik, wel mompelt hij je voortdurend in alle beminnelijkheid zijn
bevelen toe. 'Een mes, Rosa. Een schaal. Heb je al water gehaald.
Geef de buurvrouw (en dat ben ik) eens een half dozijn eieren, wat wortelen,
uien.
Van nee zeggen heeft ze nooit gehoord.
Dat hij al zijn vrije uren doorbrengt met zijn vrienden in de kroegen van het
dorp vindt ze doodnormaal. Wanneer hij diep in de nacht vals zingend
thuiskomt, durft zij eindelijk te gaan slapen.
Ik pieker nog steeds wanneer ik terugkom van de gemeenschappelijke waslijn.
Onder het keukenraam van de buren ben ik toe aan een voorlopige conclusie.
Lijdelijk verzet, het moet haar enige uitlaatklep zijn.
'Koekoe' klinkt het vrolijk uit het keukenraam. 'Echt wasweertje, hè?' zegt
mijn buurvrouw, als ik naderbij kom.
'Francisco, de schat, hij is naar het dorp om brood te halen. En olijfolie, die
was bijna op.
Schaterend probeert ze antwoord te geven op mijn vraag wat uitspoelen is in
het Portugees. Zoals altijd geniet ze van mijn onwetendheid.
'Hoor, de gans staat op het vuur, in de snelkookpan. 'Dan is hij eerder gaar'
legt ze geduldig uit.
Het gesis uit de pan heeft veel
weg van een protesterende gans...
Wanneer ik enige uren later met beide schatten en hun zwager aan de
keukentafel zit is zij weer een en al ellende. Ze zucht en steunt en strompelt
regelmatig naar de waterbak en bet haar ogen.
'Mijn ogen helpen me niet' zegt ze en niemand reageert.
Francisco stapelt een enorme portie van het smakelijke maal op haar bord en zet
het onder haar neus. Ze verorbert het al zuchtend en steunend tot de laatste
hap. Waarop ze haar bord bijhoudt voor meer.
Met verwondering kijk ik naar de man die haar zo 'terroriseert'. Met zorg vist
hij de lekkerste hapjes uit de pan en deponeert ze op de borden van zijn
gasten. Hij trekt een nieuwe fles wijn open en staat erop zelf het restje van
drie dagen terug op te drinken.
Zijn gezicht straalt van goedmoedige pret als hij vertelt. Over andere
eetfestijnen. Over vorige ganzen. 'Deze gans is puur natuur!' Wist ik dat de
beste restaurants hier niet aan kunnen tippen?
Zwager valt hem uitbundig bij. 'Praat een beetje langzaam' zegt mijn buurman,
'dan verstaat zij je beter'.
Rosa zwijgt.
Met een zielig gezicht kluift ze het laatste botje af.
'Rosa, haal de meloen' klinkt het en zij wordt weer zichtbaar. Strompelend
begeeft ze zich naar het achterhuis.
Tenslotte verdwijnt de heer des huizes met zijn broer richting dorp. Voor
koffie met een afzakkerdje.
Ik help mijn buurvrouw, weer helemaal de oude, met de afwas.
Haar mond staat geen ogenblik stil.
|