Het is weldadig stil op de monte. Nog half slapend sleep ik een stoel naar de
deuropening en koester mijn bleke gezicht in de ochtendzon.
Kippen scharrelen om het huis en de hond ligt op zijn plekje, in de
schaduw van de vijgenboom.
Ik sluit mijn ogen en concentreer me op het verre ruisen van de zee.
Er strijkt iets langs mijn benen, de kat van de buren, die als antwoord op mijn
kreetje van schrik een klaaglijk gemauw laat horen. Die kent me warempel nog, denk
ik, en ik aai haar zachte velletje.
'Slaapt het vrouwtje nog?' vraag ik dwaas.
'Hé Beta, ben je er weer?'
Antonio, mijn oude buurman laat twee emmers met een plof op de grond
zakken. Water klotst over zijn voeten. Hij reikt me de hand en ik strek mijn nek
voor twee kussen op zijn harde wangetjes.
'Alles goed?' Ja alles is goed. En heb ik een goede reis gehad? Ja dat heb ik.
'Waar is Rosa, slaapt zij nog?'
'Rosa? Nee die is er niet, ze zit in Portimão. Al drie, nee vier weken.'
Ernstig legt hij uit dat ze 'daar in die stad' betere dokters hebben en dat hun
dochter zich over haar moeder heeft ontfermd. 'Haar buik hè?' Hij staart weemarig
langs mij heen en krabt zijn hoofd, precies onder de rand van zijn pet.
Pas dan valt mijn oog op de lange lege waslijn, op de rommelige stookplaats: vuile pannen,
opgestapelde borden en bestek in een teiltje op de grond ernaast. Emmers, plastic zakken en een
ongeveegde stoep.
Of hij het redt, zo in zijn eentje, vraag ik.
'Wel ja, waarom niet? Alleen het bed, hè', zegt hij met die schalkse blik van
hem, 'de nachten zijn wel
erg koud'.Later op de dag ontmoet ik hem bij de waterput.
'Wat denk je ervan, zullen we Rosa gaan opzoeken' stel ik voor. 'Een
verrassing' voeg ik er aan toe. Maar hij heeft me al zijn
bedachtzame knikje geschonken en giet de waterput leeg in een van mijn emmers.
Enkele dagen later is het zo ver.
Buurman laadt een aantal stevige zakken achterin mijn auto en we gaan op pad.
Hij is in een spraakzame bui. Aan talloze plaatsen onderweg heeft hij de beste
herinneringen.
Dat huis daar, daar heeft híj het dak opgelegd. En zie ik dat kanalenstelsel?
Dat is een irrigatiesysteem, aangelegd in de jaren '70. Hij en zijn broer
hebben er heel wat spaden in de grond gestoken. Van dat café daar kent
hij de vroegere eigenaar en ik krijg een volledige stamboom opgedist.
'Benieuwd of hij nog leeft, die oude rakker'.
We drinken er een kop koffie en de jonge eigenaar wordt, zonder veel succes overigens, aan een kruisverhoor onderworpen. 'Zal
wel dood zijn', is Antonio's gemompelde conclusie.
Een bezoek aan de 'bron met het beste water van Portugal' weet ik
slechts met moeite te voorkomen. Ik wil nu zo spoedig mogelijk het verraste gezicht
zien van mijn lieve buurvrouw.
Eerst herken ik haar niet. Is dat Rosa? Ze draagt geen doek om het hoofd en
ook de gebruikelijke zonnepet ontbreekt. Deze vrouw heeft een uitbundige bos
grijze krullen. Van haar blozende wangen is slechts een bleek
oude-vrouwensnoetje overgebleven.
Ze begroet ons met een kort gegrom en ik ben te geschrokken om beledigd te
zijn. Ogenblikkelijk begint ze een lange klaagzang tegen haar echtgenoot, die
intussen de zakken uit de auto sleept. Hij zet ze buiten tegen de keukenmuur.
'Kom' zegt hij tegen mij 'we gaan even naar de zee kijken.'
Heb ik geen zin meer in een autoritje? Oké, dan gaat hij wel alleen, te voet zal hij er ook wel komen...
De drie vrouwen: Rosa, haar dochter en diens schoonmoeder, beginnen de zakken
leeg te halen.
Aardappels, wortelen, uien, doperwten, alles in grote hoeveelheden. Er wordt
meteen een portie op het aanrecht gelegd. Voor het middageten, begrijp ik.
In de grootste zak zit de vuile was.
'Kijk' zegt Rosa, die me eindelijk lijkt op te merken. Met een vies gezicht houdt ze een onderbroek omhoog.
'Ezels zijn het, die mannen. Meer dan 100 km ben ik bij hem vandaan en
nog weet hij me te vinden!'
|