| |
|
|
Voegwoorden
zijn woorden die zinnen of zinsdelen aaneenvoegen
We kunnen ze verdelen in:
- nevenschikkende voegwoorden
deze verbinden zinnen of zinsdelen die ook onafhankelijk van elkaar kunnen
bestaan
ik ga wandelen en daarna ga ik eten
hij houdt van vis, maar mag het niet hebben van de dokter
- onderschikkende voegwoorden verbinden een hoofdzin met een bijzin
ik doe dit, omdat jij het wilt
ik betaal je wanneer ik terug kom
Inmiddels kennen we er al verschillende. Kijk maar in onderstaand schema.
| overzicht 2.1 enkele voegwoorden |
| nevenschikkend |
voorbeelden |
| e |
en |
o João lê e escreve uma carta |
| mas |
maar |
ela correu, mas não chegou à hora certa |
| também |
ook |
trabalhas, também ele |
| ainda |
nog, verder |
não é tudo, ainda queremos sobremesa |
| nem |
noch |
ele nem ouve, nem fala |
| ou |
of |
estás a trabalhar ou estás a brincar? |
| no entanto |
toch |
está a chover, no entanto vou às compras |
| onderschikkend |
| porque |
omdat |
ele não come mais porque não quer |
| como |
aangezien |
como não tenho dinheiro, não vou |
| quando |
toen, wanneer |
sai de casa, quando telefonaste |
| enquanto |
terwijl |
espera, enquanto me visto |
| que |
dat |
ela diz que vai |
| até que |
totdat |
espero até que vens |
| logo que |
zodra |
logo que me chamas venho |
Maak je geen zorgen als je deze puzzel nog te moeilijk vindt.
Het is immers al les 2!
Volgt nog een voorbeeld van een (moeilijke!) huiswerkopdracht.
huiswerkopdracht
1
-
2 -
3 -
4 -
5 beluister de zinnen van het gesprekje en vertaal ze
hulp nodig?
|
|