Je gaat niet, begrepen?'
Al is ze nog zo vastbesloten, de
woorden zeuren als een deuntje in haar hoofd. Ze hijst Henkie, haar oudste
zoon in zijn versleten jas en zet hem een wollen muts op. Heeft ze alles? De
kinderwagen wacht onder aan de trap, opgemaakt met de mooiste spullen die ze
vinden kon.
Johan, haar zwijgzame echtgenoot, was
er speciaal voor naar de keuken gekomen. Daar ging hij zich te buiten aan een
preek over de gevaren van de oorlog. Toen ze demonstratief de vaatdoek in het
sop liet zakken en hem uitwrong met krachtige gebaren, deed hij er een schepje
bovenop en begon de risico's van haar plan breed uit te meten.
'Ze zitten overal, die moffen, maar
vooral op de toegangswegen naar de steden. Daar zoeken ze speciaal naar
illegale voedseltransporten. Aardappels zijn op de bon, dus zet dat idiote
plan maar uit je hoofd'.
Daarna had hij het over de bommen en
het veelvuldige luchtalarm. En of ze wist wat dat betekende?
Nu heeft zíj eens haar mond gehouden.
Ze probeerde de verachting niet te voelen die in haar gezicht naar een uitweg
zocht. Eigenlijk verwachtte ze nog een opmerking over 'een vrouw alleen op de
eenzame weg' maar die kwam niet.
'Je gaat niet, begrepen?' zei hij tenslotte.
'We moeten eten' was haar antwoord en ze liep langs hem heen de keuken uit.
De stad ligt er grijs en verlaten bij.
Zelfs de honden hebben hun speuren naar voedsel opgegeven. Hoewel pas vroeg in
de middag lijkt het of de zon ieder ogenblik kan ondergaan.
Mèt de dag vallen er meer gaten in de straten. Alsof de mensen tot het eten van stenen zijn overgegaan.
De kinderwagen hobbelt over de keien.
Het gepiep en geknars van de wielen benadrukt de beklemmende stilte.
'Is het ver, mama? Wanneer zijn we er? Ik..'
'Stil manneke, we moeten nog een eindje. Jij wilt toch wel lief zijn voor mama hè? Hier.' Ze stopt het kind
een stuk brood toe waar hij gretig op begint te kauwen.
'Waar gaan we naar toe?' probeert hij nog maar er klinkt geen hoop meer in zijn stem.
'We gaan naar Peer' zegt ze.
'Wer ist Peer?' hoort ze zo'n griezel in uniform al zeggen die haar aanhoudt en naar haar papieren vraagt.
'Peer is mijn broer, óóm Peer' zal ze antwoorden met een blik op haar zoontje. Die heus zijn mond wel houden zal.
'Ik heb gehoord dat hij ziek was' kan ze ter verklaring aanvoeren.
Maar waar maakt ze zich druk over, die moffen verstaan nauwelijks Nederlands en aan haar gezicht zullen ze niet zien
dat ze drie jaar Duits heeft gehad op school. Ein zwei drei, Schweinenfleiss,
ze kan wel spuwen op die taal.
'Kom jochie, niet zo hangen, hoe sneller we lopen hoe eerder we er zijn.'
Eenmaal voorbij de spoorbaan -ik wil de trein zien, mama. Die rijden bijna niet meer, jongen- is er wat meer volk
op de been. Grauwe figuren in kleurloze jassen waaronder meerdere lagen
kleding schuilgaan. Zelf lijkt ze wel een teddybeer-van-slechte-kwaliteit in
de verzameling krijgertjes die haar omhullen. Alleen van de zwarte sjaal die
haar bruine krullen platdrukt, is de oorsprong haar bekend: die is nog van
haar moeder geweest.
'Ik heb het koud' klaagt het kind, dat zijn veel te grote handschoenen, verschillend van kleur, naar haar opheft.
Even neemt ze de tijd om de smalle kinderhandjes warm te wrijven.
'Nee nu niet' zegt ze als hij reikt naar haar oksels. 'Geen tijd, lieverd, hier.' Ze geeft hem haar wanten die hij
verbazend handig over zijn eigen handschoenen heentrekt. Wanten, wie had
gedacht dat ze nog eens zou snakken naar van die wanstaltige gevallen? De
elegante Mies de Heer van vóór de oorlog, wie was dat ook weer?
Ze trekt de mouwen van haar trui omlaag en geeft een nijdig rukje aan de kinderwagen die een paar decimeter de
lucht invliegt. Straks op de terugweg zal ze wel anders piepen, als hij
tenminste thuis is, haar Peer. En als ze hem weet te vinden…
'Eerste straat aan je linkerhand, vrouwtje, direct na de kerk, de derde boerderij aan je rechterhand, kàn niet
missen. Voor jou ben ik altijd thuis, dat weet je. Ze probeert niet te denken
aan de blik die hij er gratis bij leverde.
Hoe lang is het nou geleden dat hij aan de deur kwam, twee keer in de week? Met zijn aardappels, eieren, groenten.
'Appels' fluistert ze en het water springt in haar mond. Vóór de oorlog,
toen meenden ze ook al iets te klagen te hebben..
'Wat zeg je mama, oh kijk, een toren, nu zijn we er bijna.'
In de nevelige verte staat iets dat een groepje huizen moet zijn met een veel te dikke toren in hun midden.
Wil dat kind haar moed inspreken?
Zichzelf vooral, besluit ze. Maar goed dat ze niet beseft heeft dat vijf kilometer een heel eind is, slepend met een kind en een kinderwagen. En straks
nog terug ook..
'Ja schat, dat moet de kerk zijn, de kerk van óóm Peer'. Ze grinnikt naar het kind, dat dapper voortstapt met een
verre blik in zijn ogen.
Het wegdek ziet er wat beter uit intussen en ze tilt hem bovenop de kinderwagen.
'Ik ben geen baby' protesteert hij maar het klinkt zwakjes. Hij is licht als een veertje in haar armen.
Ze zet er flink de pas in. Als enige obstakels ontmoet ze een aantal modderige plassen, die diepe kuilen verbergen.
Ze mag kiezen tussen natte voeten en een hoop gesjor over bergjes gruis en
taaie graspollen.
Gelukkig is het niet één keer nodig iemand de weg te vragen. Mensenschuw, dat was ze toch niet, vóór de oorlog.
Vóór de oorlog, het is zo langzamerhand een gevleugeld woord..
Peer is thuis, had ze anders verwacht?
Hij doet meer dan eens de bijnaam eer aan, die Johan hem heeft gegeven. 'Is
bolle Peer vandaag geweest. Had ie ook eieren?' Gek op eieren, haar Johan,
zacht gekookt..
Ze móet het hem vragen.. Na een warme begroeting -die man is oprecht blij me te zien- is hij ogenblikkelijk naar
achteren verdwenen en teruggekomen met toch zeker twintig kilo aardappels.
'Dank je wel Peer, veel dank. Heb je.. zijn er misschien ook eieren? Een paar
maar, om te proeven..'
'Eieren? Voor jou altijd.'
Waarom klinkt dat nou zo onheilspellend? Peer werpt een vlugge blik op zijn vrouw die om het hoekje
gluurt van de keukendeur en meteen weer verdwijnt.
'Kom' zegt hij 'dan zullen wij eens een eitje gaan verschalken. Let jij maar even op de aardappels, jongen, dat
kun jij toch zeker wel?'
Zelfs Henk voelt onraad, hij kijkt haar smekend -of is het bezwerend?- aan.
'Laat ook maar' zegt ze vlug. 'Kom joh, we moeten maken dat we voor het donker thuis zijn. Wat krijg je van me,
Peer?'
Verbaasd over het uitblijven van haar gebruikelijke zuinigheid betaalt ze het bedrag dat Peer haar noemt, een
veelvoud van wat ze zich herinnert. Peer weet van niks, zijn gezicht is van
staal..
Een snijdende wind -waaide het daarnet ook zo?- begroet haar als ze het erf opstapt.
'Nee jongen, nu moet je weer even lopen.' Nou ja, even, denkt ze, wanneer ze de weerstand van haar oude
kinderwagen voelt. Die torst vandaag haar zwaarste baby. 'Poele poele' zegt ze tegen de
bobbelige massa, terwijl ze zich zoveel mogelijk naar voren buigt. 'Lekker
slapen, hoor, en niet huilen'.
Henk schatert het uit, hij vergeet dat hij wilde protesteren.
'Kom op knul, duwen maar. Was jij niet die sterke jongen van me?'
Als ze eenmaal op gang zijn, valt het nog best mee. In elk geval heeft ze het niet koud meer. Alleen haar handen.
'Zijn je handjes nou lekker warm, Henk?
'Een vliegtuig!
Het kind blijft staan en steekt zijn hand in de lucht. Of hij op school is en niet voor zijn beurt wil praten. Dan
opeens raast zo'n enorm geval als een woeste roofvogel over hen heen. En nog
één en nog één.
Pas nu hoort ze hoe stil het was.
Zelfs de vogels laten het afweten.
'Liggen' schreeuwt ze en trekt het kind mee in haar duik de berm in. Geratel, geknal.. bommenwerpers!
'Mijn aardappels' fluistert ze en hijst zich op haar knieën. 'Blijf liggen jij' blaft ze. Kruipend bereikt ze
de kinderwagen en als ze hem naar zich toetrekt, kantelt hij een kuil in.
'Goed idee' mompelt ze, 'dat kunnen wij ook'.
Erg lang duurt het niet. Opeens doet het vreemd aan, hoe ze daar liggen in de kou, met zijn tweetjes half onder een
gekantelde kinderwagen, aardappels om hen heen..
Met een laatste blik op de lege hemel die er uitziet als een uitgestreken gezicht na een slaande ruzie sjort ze de
wagen overeind en begint als een gek te rapen.
'Mama, ik ben bang' zegt het kind maar hij volgt toch haar voorbeeld.
'Ausweiss bitte'. Het gevreesde commando komt volslagen onverwacht. Waar komt die vent zo gauw vandaan? Stram
rechtop staat hij voor haar, met een hand op het stuur van een damesfiets.
Allebei de banden zitten er nog op.
'Papieren' zegt de Duitser, terwijl hij zijn fiets op de grond laat zakken. Met zijn gladde gezicht en de blonde
krulletjes die onder zijn pet uit piepen lijkt hij een verkenner die gaat picknicken.
Terwijl hij haar papieren teruggeeft buigt hij zich over de kinderwagen. Haar buik trekt samen.
'Fraaie baby' zegt hij, en hij lacht haar niet eens onvriendelijk toe.
'Maar' en hij geeft een tikje tegen haar buik 'dat kan ík beter, ha ha ha.’ Hij kijkt om zich heen of hij een heel
leger aan het lachen heeft gemaakt.
'Wat denk je ervan, zullen we maar even?' Hij pakt haar arm beet en zijn andere met zacht leer gehandschoende
hand wijst naar een paar struiken die haar nog niet waren opgevallen.
'Tjiep' doet een vogel en ze is verbaasd over de vreugde die ze voelt.
Dan schudt ze met haar schouder de hand van haar arm, frunnikt aan de knoop onder haar kin die de sjaal op zijn
plaats houdt en kijkt naar haar zoon. Weer die grote ogen van hem..
'Eén kusje' zegt de man en hij lijkt verdorie wel een gefrustreerde minnaar. Even knijpt ze haar ogen dicht. Dan
draait ze zich van hem af en buigt zich over de kinderwagen. Met een zorgvuldigheid of ze haar eerste kind toedekt, trekt ze de deken op en het
kanten lakentje er kaarsrecht overheen.
'Kom'. Ze recht haar rug en trekt met een ruk de wielen uit de modder. Spetters vliegen tegen de onberispelijke
vouwen van een wollen pantalon. Die een stukje terugdeinst...
De knokkels van haar handen steken wit af bij de rest. Ze voelt de kracht van Henk die met twee handjes tegelijk
helpt trekken. Verbaasd kijkt ze een ogenblik op hem neer. Krakend en piepend
komt het voertuigje in beweging.
Ze zou iets willen zeggen, tegen Henk, maar ze kan haar mond niet open krijgen.
Pas wanneer ze opnieuw de spoorlijn passeren, voelt ze haar lichaam weer. Ze schudt haar schouders los en opent de
bovenste knoop van haar jas.
'Oewoe!' roept ze en ze slaat haar hand voor haar mond zoals kinderen doen die Indiaantje spelen.
'Aardappels, Henkie, twintig kilo!
Vanavond eten we aardappels, gebakken, gekookt, hoe vaak zullen we
opscheppen?' Haar wangen gloeien als kooltjes en ook op de smalle toet van
haar zoon tekenen zich lichte blossen af.
'Zullen we?' roept ze en voegt de daad bij het woord. De korte pootjes van het kind kunnen de plotselinge vaart niet
bijbenen, maar hij laat niet los. Tot hij als een tegenwicht aan de wagen
hangt. Lachend tilt ze hem van de grond en klemt hem in haar armen.
'Held' zegt ze en drukt een kus op zijn wollen kruin.
Als ze hun eigen straat instuiven, baadt die in een oranje-gele gloed.
'Zonsondergang, schemering, alles gaat gewoon door' hijgt ze, terwijl ze een ogenblik stil staat.
De voordeur van hun huis staat open.
Bovenaan de trap staat haar man, zo wit ziet als een doek, aan elke kant een kleuter.
Een kiekje in een familiealbum, denkt ze. Nee nee, een momentopname uit een film, de regisseur heeft de handjes van
de kleuters aan de broekspijpen van de acteur vastgehaakt. 'Bang kijken' heeft
hij gezegd 'banger!
'Ziezo, gelukt' roept ze halverwege de trap, 'minstens twintig kilo!
Met twee treden tegelijk stormt ze op haar man af, die onbeweeglijk blijft staan.
'De kinderwagen' zegt ze, 'zet jij hem even binnen?'
Met handen vol aardappels loopt ze langs het drietal heen, regelrecht de keuken in, die kil en donker op haar
wacht.
terug
|