Televisie  1997



Voor het eerst in jaren neem ik de bus.
Het is een druilerige dag, koud noch warm. De lucht is egaal grijs en er valt een miezerig regentje. Het liefst was ik in bed gebleven. Lekker televisie kijken. Maar mijn oude kastje heeft het begeven.
Daar laat ik geen gras over groeien. In een grote dumpzaak, in het centrum van de stad, ga ik een nieuw toestel kopen. Als het even kan, mèt teletekst.
De drukte in de stadsbus valt mee. Wat oude mensen, gewapend met boodschappentassen, sommige op wieltjes. Je breekt er je nek over. Verder een paar moeders die wanhopig proberen hun opgedofte kleintjes van de modderige vloer te houden.
Een kind van een jaar of drie trekt mijn aandacht. 
Een bolle toet met blozende wangen tussen zwarte krulletjes.
'Mama' zegt ze en met grote ogen kijkt ze naar de oude dame tegenover zich. 'Waarom heeft die mevrouw maar één tandje?'
Het meisje glijdt van haar moeders schoot. Een moderne opvoeder die moeder. Geen spoor van gêne. Er is slechts een kleine twinkeling in de met houtskool bewerkte ogen.
Zij vormen een mooi stel, die twee. In hun kleurige, met kunstbont en sjaals versierde jassen zijn ze een vrolijke noot in het grauwe vehikel.
De moeder vouwt haar handen losjes om het middeltje van het kind en behoedt haar zo voor een schuiver over de smerige vloer.
Mevrouw Tand klemt haar lippen op elkaar. Maar dan duwt ze met één voet haar boodschappentas opzij en reikt het kind de hand.
'Heb jij maar één tandje?' De vrouw trekt met haar vrije hand een smalle onderlip weg en toont het onderwerp van de verbazing.
'Mijn andere tanden zijn ziek' zegt ze.
'Oh' begrijpt het meisje 'zijn ze in het ziekenhuis?'
'Nee' de vrouw zucht quasi droevig 'ze kunnen nooit meer beter worden'.
'Mijn zusje heeft al twee tandjes' roept het kind met een hoog stemmetje. Als ze twee mollige vingertjes in de lucht steekt, heeft ze haar andere hand erbij nodig. 'Een, twee' roept ze en haar lijfje telt mee in een sierlijke kadans.
De bus trekt op en de vrouw kan het kind nog net beetpakken.
'Zó, heb jij een zusje?' Het kind knikt. Dan vraagt ze: 'Waar is jouw papa?' Ze leunt tegen de zwarte knieën van de vrouw en deze tilt haar op schoot. Ze werpt een korte blik op de moeder, die demonstratief uit het raam zit te kijken.
'Mijn papa is al heel oud' zegt ze zacht 'hij kan niet meer lopen'
'Heeft jouw papa geen voetjes?' Het kind is vol medeleven.
Tussen de vele rimpels van het oude gezicht verschijnt een glimlach en de tand vertoont zich in al zijn glorie.
'Jij moet je tandje poetsen' zegt het kind, terwijl ze met een geknepen snoetje het zwarte stompje aanraakt. 'Jouw tandje is vies'.
Dan klaart haar gezichtje op. Ze geeft een rukje aan de tand. 'Mijn opa heeft nieuwe tandjes. Van de dokter gekregen, hè mama? Heb jij ook een dokter?'
De oude vrouw zoekt opnieuw de blik van de moeder. 'Wat een bijdehandje'. De moeder haalt haar schouders op. 'Stuur haar maar weg hoor als u er genoeg van heeft' zegt ze.
'Nee, nee, wacht'. De vrouw zet het kind op de grond en klemt haar tussen de knieën. Ze knipt een enorme handtas open en haalt er een rol zuurtjes uit. 'Lust jij een snoepje?'
Het meisje stopt haar duim in de mond en kijkt naar de grond.
'Ze heeft net haar tandjes gepoetst' verklaart de moeder. 'Kom maar, Femke, mama heeft een appel voor je.'
Het kind heft haar gezichtje naar de oude vrouw, die haar weer op schoot neemt en aan het rolletje begint te frunniken. 'Ach mevrouw, één snoepje. Ik heb het nu beloofd. En, beloofd is beloofd, nietwaar schatje?' 
Terwijl ik naar de schaduw kijk die over het fraaie gezicht trekt van de jonge vrouw, besef ik opeens dat ik in een televisiespotje zit. Een reclamefilmpje van de tandheelkundige dienst?
Nu zou ik overeind moeten schieten, ik zou een witte jas aanhebben en met verbluffende elegantie een tube tandpasta uit mijn achterzak trekken. Met een stralende glimlach op mijn knappe gezicht zou ik hem voorhouden aan de jonge moeder. Deze zou mij geheimzinnig toelachen en langzaam een identieke tube tevoorschijn toveren. Uit haar decoleté?
'Meneer, wilt u ook een snoepje?' Ik kijk in het vriendelijke gezicht van de oude dame. In de bovenkaak steekt het stompje van minstens nog een tand. Zou zij die nog poetsen?
Als ik een kind was, zou ik het gewoon vragen...
Traag begin ik te sabbelen op het zoetroze zuurtje.

terug