Zoals elke doordeweekse dag stormt zij om tien over vier de trap op, zeven
passen, veertien treden. Jas aan de kapstok, niet vergeten. Huppelend gaat
het richting keuken en daar blijft ze stokstijf staan.
De keukendeur is dicht, de kamerdeur is dicht. Het is stil in huis en
donker.. Is er niemand thuis? Ze spitst haar oren en duwt zachtjes
tegen de keukendeur.
'Mama?' De keuken is leeg en op het aanrecht is geen spoor van
bekers, cacaobus of suikerpot. Haar moeder zal toch niet ziek zijn? Tree
voor tree bestijgt ze de boventrap.
Ze is bij 'zes' en hoort een stem. Het is een mannenstem en hij
komt uit de huiskamer. Ze slaat haar been over de leuning - zo'n kans
krijgt ze niet vaak - en met een plofje komt ze op de grond terecht.
'Ineke, wat doe je?' Mama's stem klinkt raar en, bang opeens,
schuifelt ze de kamer binnen. Ze heeft haar mond al open, wil uitleggen
waarom ze op weg was naar boven. Maar het komt er niet van, ze kan alleen
maar kijken naar dat rare kringetje dat op de plaats van de visite zit:
papa, mama en Harry.
Even herkent ze hem niet, haar oudste broer. Dan ziet ze het, hij heeft
zijn toog niet aan. Een jasje draagt ie, net als papa, met een witte kraag
eronder. En een stropdas, Harry heeft een stropdas om..
Op de salontafel staan de zondagse kopjes, maar niemand drinkt eruit. Ze
zoekt, al tegen beter weten in, naar een spoor van chocoladebollen, die
horen bij Harry's thuiskomst. Net zoals extra grote puddingen. Maar die
zijn voor na het eten. Gekkie, denkt ze.
Ze kijken alle drie naar haar. Mama zit helemaal omgekeerd in haar stoel.
Niemand die wat zegt. En niemand die wat doet. Harry strekt niet eens zijn
armen naar haar uit, moet ze hem nu toch een kusje geven?
Haar moeder klinkt weer raar, als ze zegt: 'Harry is thuis. Voorgoed.
Hij wil geen priester meer worden'.
'Waarom niet?' wil ze vragen. Maar Harry barst in huilen uit en
haar vader ook, haar váder! En nu weet ze waarom mama zo raar praat, zíj
heeft ook gehuild.
Ineke begint te snikken, luid en wild, ze schrikt er zelf van. Mama komt
naar haar toe en duwt haar zachtjes de kamer uit. 'Ga nou maar buiten
spelen', zegt ze. 'Pak maar een appel uit de kelder'. En ze
geeft haar ook nog haar jas, die ze van de kapstok grist.
Opnieuw staat ze in de gang, alleen.
'Harry is thuis', zegt ze, half luidop. Voorgoed. Harry - is -
thuis..'
Zij is dol op Harry en de anderen toch ook? Als hij thuiskomt, in de
vakantie, is het groot feest en als hij daarna weer weg is, zegt mama
dagenlang geen woord. Van verdriet, dat weet ze zeker.
Met haar jas half aan, loopt ze zonder tellen de trap af. Ze vergeet niet
haar appel uit de kelder te halen, de grootste, die er tussen ligt. Ze
holt ermee de straat op naar Miesje, haar vriendinnetje. 'Miesje',
roept ze al van verre, 'Harry is thuis'. En Miesje, die hem
nauwelijks kent, komt, zwaaiend met haar springtouw, op haar af.
'Voorgoed', juicht Ineke opeens, 'nu blijft hij voor
altijd bij ons!'
terug |